Pieter van Delden (185)

Een tilbury in ruil voor een leven

17-07-1839 † 29-01-1922

Dokter Piet wordt hij liefkozend door zijn patienten genoemd. Achter die naam gaat Pieter van Delden schuil. De nieuwbakken arts heeft in het begin moeite aansluiting te vinden in Hengelo waar hij in de jaren zestig van de 19e eeuw praktijk houdt. Pas als hij het leven redt van textielfabrikant Hendrik Jan Ekker is zijn kostje gekocht. De Hengeloërs vertrouwen hem plotseling hun gezondheid toe en zijn praktijk groeit en groeit. Dat is niet in de laatste plaats te danken aan de fabrikant die Pieter op handen draagt en hem een open tilbury schenkt. De dokter in zijn onafscheidelijke koets is vanaf dat moment een zeer bekende verschijning in de straten van Hengelo. “Hij rijdt door weer en wind en bij nacht en ontij naar zijn patiënten”, zeggen de Hengeloërs over de arts.

Hendrik Jan Ekker leed aan typhus. Hij overleeft dankzij Pieter. In 1867 krijgt Hengelo te maken met de ziekte die uitgroeit tot een epidemie. Complete gezinnen sterven. Ook collega Marius, de andere arts in het dorp, overleeft de epidemie niet. Dat juist in Hengelo de gevreesde ziekte uitbreekt, verbaast Pieter niet. Met de regelmaat van de klok stromen de beken over en lopen de dorpelingen door het water. De mest ligt op straat en door die combinatie waarbij het smerige water terugvloeit in de drinkwaterputten ontstaat maar al te vaak een typhus-explosie.

Pieter hamert op betere hygienische omstandigheden. Het drinkwater uit de putten in Hengelo is ‘over het algemeen zeer slecht’, zegt hij. Hij kent putten die buitengewoon schadelijk water bevatten. De gezondheid van zijn mensen staat op het spel. Tegenover de sociale commissie die in 1890 een parlementaire enquête houdt, verklaart de arts: “Ik ben nu al 20 jaar hier, maar het uitbreken van de typhus gebeurde altijd op dezelfde plaats: de Beekstraat. Aan drie huisgezinnen, waar de ziekte heerste, vroeg ik welk water zij dronken. Zij dronken allen uit een put met slecht water, terwijl de gemeente op een paar passen afstand een goede put had laten slaan. De slechte put was rondom omringd door een mestvaalt en geitenstal.” Hetzelfde verhaal meldt hij over een drinkwatervoorziening bij de spinnerij van De Monchy. Hij ontdekt in die buurt een gezin met typhuskoortsen. Een nabijgelegen put is de bron van de ellende. De Monchy dempt die en laat een andere met goed drinkwater slaan. Wat blijkt: “Het volk maakt naderhand eenvoudig de gedempte put weer open en gebruikt het besmette water.”

De arts heeft een praktijk aan huis in de toenmalige Marktstraat, naast het oude gemeentehuis. Hij heeft nogal wat te stellen met de fabrieksarbeiders die bepaald niet het gezondste werk en leefomstandigheden hebben. Zo bestaan de privaten uit tonnetjes die meest bij de geitenstal worden geparkeerd. Hij ziet het liever anders, maar kan het tonnetjesgebruik wel begrijpen. “Het stelsel is hier ook zoo in zwang omdat de meesten nog een weinig landbouw drijven”. Geen enkel bezwaar heeft hij tegen kinderarbeid. Kinderen kunnen vanaf hun veertiende de fabriek in, vindt hij. Al zou een keuring vooraf, voordat kinderen in de bedompte spinnerij gaan werken, aan te bevelen zijn.

De arts kan helaas niet zo heel veel doen aan de woonomstandigheden van zijn arbeiders. “De woningen hebben allemaal te weinig ruimte. Dit wordt erger omdat de bedsteden worden vervangen door ledikanten en kribben. Voor een gezin met vijf of zes kinderen is de ruimte meestal te klein”, vertelt hij de sociale commissie.

De mensen die hij aanspreekt op de hygiëne of voedingsgewoonten doen weinig met zijn adviezen. Pieter vindt bijvoorbeeld dat er te veel aardappelen worden gegeten. Ongezond, roept hij. En hij is ook geen liefhebber van de eenzijdige maaltijden die in zwang zijn. ’s Morgens een boterham, roggebrood of mik, met een stuk rauw spek, ’s middags veel spek en soms vlees, heel veel bonen die met aardappelen door elkaar worden gekookt. Gezond is anders. En als de aardappelvoorraad later in het jaar slechter wordt, eten de Hengeloërs meelkost, rijst en pannenkoeken en eten dat is overgebleven van de middag.

De meeste ziekten die hij behandelt, hebben te maken met longen en andere ademhalingsorganen. Volgens hem ligt dat aan het klimaat en niet aan de fabrieken waar ‘de luchtverversing zo goed als mogelijk is’. Ook tuberculose komt veelvuldig voor. Dat is volgens de arts te wijten aan leefomstandigheden in de oude, vochtige en lage woningen. Verder meldt hij dat misbruik van sterke drank maar al te vaak voorkomt. En niet te vergeten de vele oogontstekingen: “In de gieterij komen die voor, ten gevolge van vreemde lichamen in het oog. Ik heb er werk van gemaakt om de werklieden brillen te doen dragen, maar dit schijnt af te stuiten op een kolossale tegenstand van hunne zijden.”

Friesland is de volgende halte voor de populaire arts. In 1983 vertrekt hij uit Hengelo. Maar twee jaar later is hij al weer terug in Twente. Nu in Delden waar zijn zoon Benno woont. Ook op die plek houdt hij het niet lang vol. Uiteindelijk verhuist hij naar Nijmegen waar hij in 1922 op 82-jarige leeftijd overlijdt. Pieter wordt in Hengelo begraven. In de Nieuwe Hengelosche Courant wordt hij herinnerd als ‘de bekwame en opgewekte Piet van Delden, als mens en medicus zeer gezien’. Niets was hem teveel, aldus het krantenartikel.