Laurens Gelink (12)

De coupe van de katholieke Gelinks

 

01-01-1770 † 04-05-1820

 

Zie’m lopen. Pastoor Laurens Gelink (26 jaar) schrijdt tevreden door de straatjes van Hengelo naar zijn gloednieuwe kerk aan de Weemengaarden even buiten het centrum. Passanten groeten. Wie kent hem niet? Hij is immers een kind van het dorp. De schuurkerk is net ingewijd en hij heeft een aanstelling als deservitor (plaatsvervangend pastoor) op zak. Het afscheid van Denekamp waar hij als kapelaan diende, valt niet zwaar. Zo vaak was hij niet in de gelegenheid om vanuit het verre Denekamp zijn familie en vrienden te bezoeken. De kans die nu wordt geboden, grijpt hij met beide handen aan. Zijn vader Albert is kerkmeester en zo’n beetje aanvoerder der Hengelose katholieken en heeft zich breed gemaakt om Laurens benoemd te krijgen. Vader en zoon Gelink willen maar een ding: losmaking van Delden en een eigen zelfstandige Hengelose parochie. Het duo moet nog even geduld betrachten. Laurens hoopt snel tot pastoor te worden benoemd, de eerste van Hengelo sinds de tachtigjarige oorlog. Het wachten is op het spoedige einde van pastor Gerard Teusse van Delden, feitelijk de baas van de plaatselijke katholieken. Tot die tijd neemt Laurens de zaken in het dorp waar voor de oude priester.

Het is 1795. Europa beweegt. De geest van de Franse revolutie waait als een frisse bries door Hengelo. Vrijheid, gelijkheid, broederschap heet het en de katholieken profiteren. Het is afgelopen met de achterstelling van de paapse Hengeloërs. Het zichtbare teken daarvan is de Sint Lambertus en op iets langere termijn de vorming van een zelfstandige parochie. Dat de kerk er eindelijk staat, is niet in geringe mate te danken aan het doorzettingsvermogen van Albert Gelink. De welgestelde Hengeloër is fabriqueur en maakt alle soorten bonten. ‘Gingans, jurken, chamosen, marceilles, robekestreepen zijnde alle veel beter en deugdzamer dan soortgelijke Duitsche fabriekswaren’, maakt hij over zichzelf bekend. Hengelo heeft twaalf weefinrichtingen die werk verschaffen aan ruim 60 procent van de beroepsbevolking met inbegrip van kinderen vanaf zes jaar. Veel bewoners van het dorp Hengelo zijn katholiek.

Albert is niet voor een kleintje vervaard en erg religieus. Hij krijgt uit zijn eerste huwelijk zes kinderen. Als Laurens zes jaar is, sterft zijn moeder. Vader hertrouwt en voegt nog twee kinderen toe aan de schare. Het is Albert jarenlang een doorn in het oog dat de katholieken door weer, wind en via blubberige wegen naar de als kerkhuis ingerichte boerderij Rosink op de Deldener-es of naar het erf Hermelink te Woolde moeten lopen. In 1778 richten onder andere Berent Ensink, Hermanus Wilbrink en Albert Gelink een verzoek aan de autoriteiten van de Ridderschap en Steden om ‘eene kerkschure van ongeveer 100 voeten lengte en 30 breedte in den zoogenaamden Weemengaarden bij Hengelo te mogen zetten’. De ondertekenaars van het verzoekschrift kennen de plaats van de katholieken. ‘De Weemengaarden is een plaats die niet aan de weg en in een afgelegen hoek ligt’, stellen ze. Het verzoek wordt met sterke argumenten omkleed. Hun godsdienst zou onder de pastoor van Delden verricht kunnen worden waardoor ‘ook het dorp Hengelo zeer zoude worden bevoordeeld’. De wandeling naar de boerenerven is ook al geen pretje, betoogt het driemanschap. De kerkgang geschiedt over slechte, onbegaanbare wegen en de kerkgangers moeten hun godsdienst samen met het vee verrichten, waardoor de aandacht dikwijls wordt verstoord. Daarbij komt, stelt koopman Albert slim, ‘dat hierdoor ook veel nering aan het dorp wordt onttrokken’.
Het antwoord laat maar op zich wachten waardoor Albert zeven jaar later genoodzaakt is wederom een verzoek te doen. Hij verzendt met het schrijven een kopie van de brief van zeven jaar geleden en een ontwerptekening. En hij probeert ook nog om de oude eigendomsrechten van de kapel van Hengelo aan de Bornsestraat terug te krijgen. Dat kan hij schudden, wel krijgt hij een jaar na het tweede verzoek toestemming voor de bouw van de schuurkerk. Niet onvermeld mag blijven dat de oecumenische gedachte in Hengelo klaarblijkelijk al heel lang bestaat. Feitelijk kunnen de katholieken de kerkbouw niet helemaal uit eigen zak betalen. Er komt een inzameling. Wat blijkt? De protestanten hebben evenveel geld bijgedragen als de roomsen. Sterker: allerlei dorpsgenoten, niet van katholieke huize, vellen een aantal bomen, maken daarvan timmerhout en stellen dat beschikbaar voor de bouw. ‘En minvermogende boeren voerden het hout aan, zonder eenige betaling van vracht’.

Als de kerk klaar is, schrijven de bouwers in het doopboek: de Hengelose kerk is stevig gebouwd. In 1795 volgt de wijding van de Sint Lambertus en het doopboek wordt op 20 april 1796 in gebruik genomen. Tegelijkertijd worden de katholieken gelijkgesteld aan de andere godsdiensten: de nieuwe grondwet waarin de vrijheid van godsdienst wordt vastgesteld, is een feit.

Laurens en vader Albert krijgen in 1803 hun zin. Pastor Teusse blaast op 6 juni de laatste adem uit. Negen dagen later wordt Hengelo een parochie en treedt Laurens op 33-jarige leeftijd aan als eerste priester van Hengelo. De zelfstandigheid wordt bezegeld door de pauselijke nuntius Ciamberlani die daarvoor naar Hengelo komt.

De nieuwbakken pastoor woont samen met kapelaan Wiegerink en Hendrika de meid.
De jaren die volgen worden niet echt beheerst door religieuze bevlogenheid. Veel belangrijker is de zorg voor de armen, Laurens schrijft al in 1796 dat de roomsen zich in deerniswekkende toestand bevinden en dat voor hen geen armenfonds bestaat, en de stichting van een eigen begraafplaats. Dat maakt hij niet meer mee. Hij is 50 als hij overlijdt. De naaste buren, tinnegieter Subertus te Winkel en schoenmaker Gerrit Nieuwenhuis, doen aangifte. Burgemeester Jan Dijk tekent de overlijdensakte, waarna de pastoor tussen protestanten op het Algemeene Kerkhof wordt begraven. Schijnbaar was zijn belangrijkste wapenfeit het schrijven van een boekje over het sacrament van het doopsel. Dat is het enige dat later Pastoor Geerdink over hem weet te vertellen. De opvolger van Laurens heet Johannes Wenneger. Pas in 1871 krijgt de katholieke gemeenschap een eigen kerkhof aan de Oldenzaalsestraat op de plek van het plantsoen van appartementengebouw De Driemarken. Op 29 juli 1890 wordt de nieuwe neo-gothische Sint Lambertus in gebruik genomen op dezelfde plek waar de eerste schuurkerk aan de Weemengaarden stond.