Johannes ten Hove (128)

Doodgraver droeg zijn twee vrouwen ten grave.

02-08-1820 † 17-06-1910

Doodgraver en koster Johannes ten Hove nam, toen hij trouwde met Maria Naafs, de taken over van de aangetrouwde familie die zo’n 200 jaar de doden van Hengelo begroef. De mannelijke lijn van de doodgraversfamilie Naafs stierf uit. De laatste Naafs die de doden van Hengelo een laatste rustplaats bezorgde, was Harmen Naafs die in 1850 zelf aan de beurt is. Slechts zijn meisjes Marie en Trien zijn er dan nog. Het is dan ook niet zo verwonderlijk dat de nieuwbakken echtgenoot van Maria, Johannes ten Hove, de werkzaamheden en gewoonten in 1852 overneemt die bij het kosterschap van de Nederlands Hervormde kerk en het doodgraverschap horen. Hij verdient niet al te veel: de jaarlijkse vergoeding voor het begraven der doden en het onderhoud van het kerkhof en kerk is 50 gulden, later opgehoogd tot 65 gulden. Zijn loon steekt schril af tegen het salaris dat bijvoorbeeld meester Van Benthem ontving: 1000 gulden.

Omwonenden zien hem regelmatig in stemmig zwart naar kerk en kerkhof gaan. Is het niet om doden te begraven dan is het wel om de klok te luiden. ’s Morgen om zes, zeven of acht uur, om twaalf uur ’s middags en negen uur ’s avonds trekt Jan aan het klokkentouw en klinkt het gebeier over het dorp. In zijn beginjaren als doodgraver verzorgt hij per jaar de begrafenissen van ruim honderd dorpelingen (in 1862,119) en als Hengelo uitdijt bijna tweehonderd (1872,198)
Het is moeilijk rondkomen van zijn wedde en de kerkenraad vindt het dan ook prima dat hij rond de jaarwisseling de gemeenteleden bezoekt en hen een gelukkig nieuwjaar toewenst. Per groet kreeg hij tien tot dertig cent retour en de boeren schenken hem aardappelen en appels.

Egbert ter Marsch verhaalt in Het Beuksken van Hengel over spokerij op het kerkhof. Bijgelovige voorbijgangers zien op het kerkhof vreemde figuren uit graven tevoorschijn komen. Dat leidt tot verhalen die aan ’t schap steeds groter worden. ‘ Het spookt op het kerkhof’, weten sommigen zeker. Hengeloers die met beide benen op de grond staan, weten wel beter. De vrouw van de doodgraver helpt mee om de graven te delven. Ze draagt een witte flapmuts en die is zichtbaar al er ’s avond weer eens en kuil wordt gegraven op het kerkhof.
Johannes heeft trouwens weinig geluk met zijn vrouwen. Maria Naafs sterft in 1855 als ze drie jaar zijn getrouwd. Hij probeert het twee jaar later opnieuw met Fenne Hofmeijer, maar ook zij overlijdt in 1867. Het kan zo maar zijn dat zij een van de Hengeloërs is die bezwijkt aan de typhus. In dat jaar wordt Hengelo getroffen door een epidemie. Er sterven dat jaar twintig dorpelingen aan de gevolgen van de ziekte.
Het derde huwelijk lijkt voorspoediger te lopen. Helaas heeft zijn derde vrouw Christina Abbink ernstige depressies en wordt ze krankzinnig. Een half jaar voordat Johannes de laatste adem uitblaast, wordt Christina opgenomen in het krankzinnigengesticht in Deventer. Datzelfde lot treft later hun dochter. De doodgraver laat zich door al die treurnis niet kisten: hij is 89 als hij in ‘eigen’ grond wordt bijgezet.