Baron Adolf Mulert (2)

Het tragische leven van de laatste heer van Hengelo

18-07-1799 † 20-02-1832

Adolf August Frederik Maurits Mulert. De laatste heer van Hengelo legt het moede hoofd te ruste als hij nog maar 32 jaar oud is. “Leverziekte”, fluisteren Hengeloërs als ze het nieuws horen. “Hij dronk te veel”, wordt in de stamkroeg gezegd. Ze kennen hem wel, ze kennen de verhalen. Wat er van waar is? De gasten halen de schouders op. Geen idee, maar de verhalen zijn mooi. Hij kan natuurlijk net zo goed overleden zijn aan typhus, weten anderen, want die ziekte steekt steeds de kop weer op in het zompige Hengelo. Tel daarbij de beroerde kwaliteit van de enige Hengelose heel- en vroedmeester Johannes Reichman op en je weet genoeg.

Zeker is, dat heer Adolf geen gemakkelijk leven heeft. Hij is nazaat van een oeroud adellijk Duits geslacht dat teruggaat tot in de vroege middeleeuwen waar leenheren en leenmannen het voor het zeggen hebben. De Mulerts bouwen in Duitsland en Overijssel een enorm bezit op. Adolf plukt er de vruchten van. Maar bij zijn geboorte en net daarna gaat het al mis. De Franse revolutie trekt sporen door Europa. Vrijheid, gelijkheid, broederschap heet het nu en dat betekent feitelijk het einde van de adellijke privileges. Ook de Mulerts merken dat. Adolf groeit op als wees, zijn ouders sterven al heel vroeg.

Het Huis Hengelo, havezate Backenhagen in Ambt Delden, het Eibergse goed inclusief de Mallumse Molen, een huis in Kamen en onafzienbare hectaren grond krijgt het kind als erfenis mee. Het beheer van zijn bezit wordt uitbesteed. De indruk bestaat dat de zaakwaarnemers creatief met de boekhouding zijn omgesprongen. De 19-jarige die met goede referenties op 12 juli 1820 uit het Duitse leger is ontslagen en het dorp te paard komt binnenrijden, ziet tot zijn schrik het verval van het Huis Hengelo en de zich opstapelende schulden. Van het oorspronkelijk huis van de Ripperda’s is dan niet veel meer over dan een uitgewoond pand waar achtereenvolgens een deel van het vijfde regiment van leger van Hannover en het Franse hoofdkwartier waren ingekwartierd.

Adolf laat het huis dan ook links liggen. Hij woont afwisselend in Kamen en Backenhagen. De baron trouwt in 1821 met, hoe kan het ook anders, een vrouw van stand. Rijksbarones Augusta Adolphina Leopoldina Catharina van Pallandt, heet ze. Het paar krijgt een kind, een jongen. Johan Coenraad Frederik Theodoor. Hij blijft de enige erfgenaam. De geboorte redt het huwelijk niet, het paar gaat uiteindelijk uit elkaar.

Tot die tijd proberen de echtelieden te redden wat er te redden valt, maar ze besluiten toch al snel het huis te verkopen. En omdat ze geen zin meer hebben om extra te investeren in het huis, de kapel en het daarbijbehorend personeel, weigert Adolf in 1828 nog langer 250 gulden per jaar bij te dragen aan het traktement van de hervormde dominee. In ruil voor die toelage hadden de heren van Hengelo sinds jaar en dag het recht nieuwe predikanten aan te stellen. Adolf heeft er geen zin meer in en zet de betalingen voor koster, dominee, voorzanger stop. Ook het onderhoudsgeld voor de kapel trekt hij in. De maatregelen roepen uiteraard een conflict met de hervormden op. Adolf koopt de ruzie af. Kerk en aanpalende gebouwen alsmede enkele landerijen en schuldvorderingen worden aan de kerkelijke gemeente overgedragen. Daarmee is de weg vrij om de rest van de bezittingen van de hand te doen. De opbrengst is nauwelijks voldoende om de schulden af te lossen. De eerste burgemeester van Hengelo Jan Dijk is één van de kopers.

Kwade tongen menen dat de Mulerts de teloorgang van het bezit aan zichzelf hebben te wijten. Anderen vermoeden dat kwaadwillende Hengeloërs de familie hebben uitgekleed. Er wordt onder meer met een schuin oog gekeken naar Jan Dijk, de eerste burgemeester van Hengelo. Maar zoals gezegd: het zijn mooie verhalen.

Ach, het vroeg 19e eeuwse Hengelo kan niet genoeg krijgen van mooie geruchten, roddels en achterklap. Bij het kaarslicht gaat Adolf Mulert, de heer van Hengelo, dikwijls over de tong. “Weet je wat hij deed toen zijn zoon werd geboren?”, vraagt een dorpeling aan een onwetende terwijl ze een gerstebiertje achteroverslaan. “Toen het kind een paar dagen oud was, pakte hij de jongen op, zadelde zijn paard, en reed als een gek door de drooggevallen grachten rond Huis Backenhagen. We hoorden hem schreeuwen: ‘Reiten, reiten. Das sollst du lernen.’ De cafébezoekers lachen en schudden hun hoofd over die zonderlinge heer. Een oudere dorpeling kent er nog een: “In de kroeg bij Carelshaven ontmoette hij twee glasgezellen. Het duo had die dag nog geen ruit uit hun kist verkocht. Of de heer nog werk had. Mulert mocht de gezellen wel en vroeg ze de volgende dag bij hem te komen Op Huis Hengelo. Dat gebeurde. De volgende morgen verschafte Mulert de gezellen werk door met veel plezier alle ruiten van het huis kapot te slaan.” Iemand klakt met zijn tong. Wat een idioot.

De verhalen rijgen zich aaneen. De heer zou aan de bedelstaf zijn geraakt door zijn drankzucht. “Hij heeft grond verkocht voor een glas wijn”, roept er één. Er is niemand die hem verdedigt. De baron blijft een vreemdeling en wat is er in die dagen mis met mythevorming.

De waarheid wordt, zo lijkt het, geweld aangedaan. Uit de stukken kun je opmaken dat hij minder arm is dan gedacht. Hij is ingeschreven als rentenier. Alleen rondom Hengelo bezit hij nog 75 kavels grond, zoekt Hengeloër Piet Hamer uit. En uit zijn nalatenschap kun je de conclusie trekken, dat hij niet onbemiddeld was, stelt onderzoeker Hugo Reijnders. Toch heeft hij aan het eind van zijn leven geen geld om zijn eigen begrafenis te betalen.

Jacob van Lennep, die de jonge baron in 1823 ontmoet op zijn voettocht door de Noord- Nederlandse provinciën, heeft geen ongunstige indruk van hem. Als Van Lennip op maandag 21 juli met vrienden in herberg De Klomp zit te eten, schuift Adolf Mulert aan. ‘Heer van Hengelo en andere plaatsen, doch die onder curateelen staat wegens zijne prodigaliteit (spilziek)’, meldt Van Lennep in zijn dagboek. De korte ontmoeting krijgt een dag later een vervolg in Delden. ‘een lelijke doch groot vlek’, aldus Van Lennep. ‘Te drie ure aten we met veel smaak. De jonge baron Mulert voegde zich bij ons en verhaalde hoe de predikant van Hengelo zoo veel gelds voor zijne pastorie noodig had. Hij sprak zeer verstandig en toonde zelfs kennis van zaken’. Blijkbaar zijn de verhalen over het verkwistend karakter van de Heer van Hengelo bij Van Lennep bekend en vindt hij het nodig die te relativeren. Wellicht is die schijnbaar over het paard getilde edelman, helemaal niet zo gek als de Hengeloërs vertellen. Overeind blijft wel dat hij teveel drinkt.

Het leven van baron Adolf August Frederik Maurits Mulert is van korte duur. Het kan zijn dat hij vanwege zijn ziekte naar Hengelo verhuist om zich door vrienden en kennissen te laten verzorgen. Hij woont aan het eind van zijn leven in het huis op de hoek van Langestraat en Deldenerstraat. Op 23 februari 1932 wordt door Lambertus Hagen en Alef Assink, de naaste buren, aangifte gedaan van het overlijden van de baron bij de ambtenaar van de burgerlijke stand Berent ter Horst. Adolf overlijdt op 22 februari in het huis van de familie Oostvogel aan de Langestraat. Hij krijgt een rustplaats op de plek waar zijn verhaal in Hengelo begon.

Ook aan die rustplaats van de laatste Heer van Hengelo kleeft weer een verhaal. Hengeloër Hugo Reijnders zocht uit dat de grafsteen van Adolf een ‘tweedehandsje’ is. De baron laat na zijn dood geen geld achter om zijn begrafenis te regelen. Een dure grafsteen is niet aan de orde. Er wordt een praktische oplossing bedacht. De burgers van Hengelo gebruiken de grafzerk van overgrootvader Coenraad Willem Mulert, die in het midden van de 18e eeuw de laatste adem uitblies, om op het graf van Adolf te leggen. Op de steen worden zijn gegevens gebeiteld. Het familiewapen met randschrift (Coenraad Willem Mulert) blijft gehandhaafd.