Anthony Ballot (169)

Dominee

18-08-1836 † 14-11-1871

Ziek, zwak en misselijk is dominee Antonie Ballot als hij in november 1864 van Westzaan naar Hengelo reist. Destijds is Westzaan het hart van de doopsgezinde wereld. Antonie stond er ruim vier jaar op de kansel. De Ballots zijn geen onbekenden in kerkelijk Nederland.

Antonie is een van de vele predikanten die de familie aan de doopsgezinde gemeenschap levert. Een vermaard ver familielid van de nieuwbakken Hengeloër is Buijs Ballot, de grondlegger van het Koninklijk Meteorologisch Instituut in De Bilt.
Waarom uitgerekend een telg uit dat roemrijke geslacht het ambt in het verre Hengelo aanvaardt? Aannemelijk is dat hij zeer bewust voor het dorp kiest vanwege zijn gezondheid. De schone lucht van Twente kan hem op de been houden, denkt hij, want Antonie is een ziekelijk man. Het valt hem dan ook niet mee om in de lange koude winter de ongeveer 170 kilometer over nog ongebaande wegen met schip en koets te maken. Gelukkig verhuizen zijn moeder, broer Otto en zijn zussen Christina en Maria ook naar Hengelo. Steun heeft hij in dat verre, onbekende oord wel nodig. Hij is 27 jaar als hij op 11 december 1864 zijn werk als voorganger van de Hengelose kerkelijke gemeente begint. De doopsgezinde gemeente telt op dat moment 180 leden. De kerk staat aan de Markt en Antonie trekt in de pastorie ernaast.

Meteen na zijn komst in Twente duikt een probleem op. Hij verstaat de Hengeloërs niet altijd. Het Twents staat wel heel ver van het Westzaans. Spraakverwarringen zijn aan de orde van de dag. Antonie besluit dan ook meteen aan de slag te gaan. Hij wil de taal onder de knie krijgen. Niet alleen voor zichzelf, maar voor al die vrömden die de streektaal niet kunnen spreken en verstaan. De dominee neemt vanaf dat moment altijd een notitieboekje mee op zijn huisbezoeken. Daarin noteert hij buitengewoon nauwkeurig woorden en uitdrukkingen die hem merkwaardig voorkomen. Voortdurend luisterend, zoekend en vragend. “Smiet oe dale? Wat bedoel je? Herhaal eens wat je net zei?” Antonie haalt z’n pen tevoorschijn, pakt z’n notitieblokje en noteert: dale; neder: op en dale: op en neer. Als iemand binnenkomt zegt men: smiet oe dale! Zet u neder.
Met spellingsvraagstukken en grammatica houdt hij zich niet bezig. “Een taalgeleerde stak niet in hem, maar hij was ontvankelijk voor wat hij hoorde en een schrijfboekje heeft hij met preciese hand volgeboekt met al wat hem, op huisbezoek zijnde, opmerkelijk voorkwam”, prijst streektaaldeskundige Herman Bezoen het werk van Antonie. De verzamelaar schrijft de woorden en uitdrukkingen op zoals hij ze hoort en legt gedurende zeven jaar een lange lijst aan. Veel woorden uit Ballot’s verzameling zijn te vinden in andere woordenboekjes van de oud Oost-Nederlandse streektalen.
Uiteindelijk dient hij slechts zeven jaar de doopsgezinde gemeente. Zijn gezondheid verslechtert en de predikant overlijdt op 35-jarige leeftijd, op 14 november 1871. Zijn moeder schenkt de aantekeningen van haar zoon na diens overlijden aan de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde.
“Het is een notitieboekje, waarin met fijne en duidelijke hand 588 Twentsche woorden en uitdrukkingen opgeteekend zijn met tal van ‘kleinigheden’ over het woordgebruik, die het sterke taalgevoel van een niet hierlandsche liefhebber verraden”, zegt Bezoen over de erfenis van Antony. Het overgrote deel van de woorden en uitdrukkingen die hij verzamelde, honderd jaar geleden, blijken nu nog de gebruikelijke te zijn bij mensen die zich nog van de oude taal bedienen.” Zo gebruikte J.H. Gallée de woordenlijst van Antonie voor zijn Geldersch-Overijselsch Woordenboek (1895).
De uitgave van zijn woordenschat wordt pas in 1968 ter gelegenheid van het 100-jarig bestaan van Boekhandel Broekhuis ten doop gehouden. ‘Eigenaardigheden van het Twentsch dialect’ heet het boekwerkje.

Doopsgezinden worden ook mennonieten of mennisten genoemd. Die naam heeft de geloofsgemeenschap te danken aan de Friese priester Menno Simons. Hij ging over tot het anabaptisme, liet zich in 1535 dopen en gaf in 1536 zijn priesterambt op. De doopsgezinden of mennonieten streven naar een geweldloze wereld, scheiding van kerk en staat. De kinderdoop wordt afgewezen. Doopsgezinden vinden dat de keuze voor het geloof een vrije en bewuste keuze van volwassen mensen is. Je wordt gedoopt nadat de eigen geformuleerde geloofsbelijdenis wordt uitgesproken.
In de zestiende eeuw en later werden de dopersen vervolgd. Veel mennonieten vluchtten naar Nederland. In Hengelo kwamen vluchtelingen uit Duitsland en Vlaanderen aan. Het waren veelal mensen die in de textiel werkzaam waren.: wevers, spinners, handelaren in linnen. Invloedrijke Hengelose doopsgezinden waren de families Ter Horst, Ten Cate en Overbeek. De bekendste was ongetwijfeld ‘Wolteroom’ Wolter ten Cate (1701-1796). Hij leidde diverse ondernemingen, was liefdeprediker en betaal uit eigen middelen de bouw van de kerk en pastorie voor zijn gemeenschap aan de Markt.