Adolf van Wezel (248)

Hardhorende ketelmaker

20-05-1854 † 02-03-1929

Ketelmaker Adolf van Wezel werkt al sinds z’n achttiende bij de gebroeders Stork in de machinefabriek. Hij komt regelrecht van moeders pappot en krijgt in de fabriek zijn opleiding tot ketelmaker. Hij is hardhorend, zoals bijna al z’n collega’s. De Hengeloer woont ‘in een eigen woning met zilveren pannen’ aan de Oldenzaalschen straatweg samen met zijn vrouw en vier kinderen.

Heel anders is het Ferdinand Willem Georg Textor vergaan, 46 jaar oud en schaver in de machinefabriek. Hij komt per ongeluk via zijn broer in de fabriek terecht en werkt er onderhand al bijna 25 jaar. “Ik was koopvaardij-zeeman op de Oost en de West. Toen ik eens mijn broer bezocht, werd mij gevraagd of ik niet op de fabriek wilde komen. Dat aanbod heb ik aangenomen.” Van zeeman tot schaver. Geen wonder dat Ferdinand de loftrompet steekt over de werkomstandigheden in de fabriek. Wat wil je ook als je het zeemansleven als referentiekader hebt.

Het is geen pretje om in de fabriekshal te werken waar de ketels handmatig worden geklonken. In de werkplaats liggen weliswaar fijne watten om in de oren te stoppen, maar volgens Adolf van Wezel gebruikt niet iedereen dit ‘voorbehoedmiddel’. “Er zijn mensen die als ze warm zijn en dan de watten uit de oren halen. Als ze buiten komen, krijgen ze door de koude wind tandpijn en daarom gebruiken ze liever geen watten.” De ketelmaker verschijnt in 1890 voor een commissie wijze mannen die een parlementaire enquête uitvoert naar de werkomstandigheden in de fabrieken.

Adolf is dan 36 jaar en niet ontevreden. Alleen het lawaai zou minder mogen. Hij ziet liever dat de klinknagels in de ketels door hydrauliek worden tegengehouden en niet door hem of zijn collega’s. “Het ergste leven is van binnen, meer dan van buiten.”

Hij durft het niet aan om zijn werk de schuld te geven van de gehoorklachten. Je weet namelijk nooit hoe de baas reageert op zo’n aantijging. Daarom gooit hij het over een andere boeg: “Ik geloof dat die hardhorenheid niet alleen ontstaat door het leven, maar hoofdzakelijk door het kouvatten als men een beetje warm zijnde, zich buiten wat afkoelt.” Hij vergoeilijkt nog meer. Zijn gehoor is namelijk niet helemaal weg, meldt hij de commissie. “Ik was eens gedurende drie weken ziek thuis. Ik hoorde op het laatst even goed als een van mijn gezin. Nu heb ik altijd suizingen in de oren.”

In de schaverij is het makkelijker vol te houden. Volgens Ferdinand Textor is het gevaar voor ongelukken niet zo groot. “Als men maar uit de ogen kijkt.” En als onverhoopt machines of gereedschap niet in orde zijn, dan behoeft de werkman het slechts bij de baas te melden. Ferdinand heeft plezier in zijn werk. Hij krijgt 23 cent per uur en nog anderhalve cent premie omdat hij leiding geeft aan negen andere arbeiders die hij zelf heeft opgeleid.

Adolf verdient ook 23 cent per uur. Meest wordt er elf uur per dag gewerkt. Het komt niet zo vaak voor dat wordt overgewerkt of zondagdiensten worden gedraaid. Met fratsen als lezen hoef je niet bij deze ketelmaker aan te komen. “Ik maak geen gebruik van de bibliotheek”, zegt hij. Ook het werk in de Kern, het centraal overleg met de werkgever, ligt hem niet zo. Hij heeft wel eens in het vertegenwoordigend overleg gezeten, maar hij sprak er zelden. “Ik ben slecht van gehoor en ben ook niet zo glad om veel te spreken.”
Dat gaat Ferdinand beter af. Hij leidt jongeren op en houdt ze naar eigen zeggen ferm aan het werk. De leerlingen lopen ook niet weg, want zegt Ferdinand ‘welvarender arbeiders dan bij ons zal men moeilijk zien’. Zijn zoon werkt eveneens bij Stork, in de draaierij. Toch blijkt uit het verhoor door de parlementaire commissie dat de schaver het niet echt breed heeft. Hij zegt overdag in de fabriek toe te kunnen met een boterham ‘zonder iets erop’.