Adam Kolthof (234)

Een portretje van Churchill

23-02-1924 † 01-01-1945

Zijn graf op het kerkhof, zijn naam op een gedenkplaat in het Duitse Zöschen en in het Hengelose ‘Gedenkboek Onze Gevallenen 1940 -1945’. Adam Kolthof. In het hoofdstukje ‘In Duitsland te werk gesteld en overleden aan ziekten en bombardement’ figureert hij net zoals de andere twintig Hengeloërs die zo aan hun eind komen.
Adam is in februari 1944 toevallig op de verkeerde plek. Hij let even niet goed op en bekoopt die jeugdige onbezonnenheid met zijn leven. De Hengelose student sterft op 1 januari 1945, omdat hij een portretje van Churchill bij zich draagt.

Hij is een vriendelijke 21-jarige, verwoed verzamelaar van postzegels, figuratief tekenaar, student Indisch recht en op reis naar huis. Thuis is de Nieuwstraat 31 in Hengelo waar zijn ouders wonen. Het is februari 1944. Adam moet even naar Utrecht waar hij studeert en neemt daarna de trein naar Twente.
Ergens tussen Amersfoort en Hengelo is er een controle. “Ausweiss vorzeigen”. Adam heeft z’n papieren niet goed voor elkaar. Wat er mis is, weten we niet precies. Het kan te maken hebben met zijn vlucht naar Haarlo waar hij bij boer Jan en zijn vrouw Dieka is ondergedoken, omdat hij niet in de Duitse fabrieken wil werken.
Soldaten doorzoeken zijn kleding en vinden in zijn jaszak een tekening van Churchill. Een portret. Zelf gemaakt, want Adam tekent graag. “Staatsfeindlich”, zeggen de controleurs tegen elkaar. Reden genoeg om de jonge Hengeloër in de boeien te slaan en naar Kamp Amersfoort af te voeren.
Amersfoort is een zogenaamd Durchgangslager. Daar blijf je niet lang. Zeker niet als het kamp overvol raakt. De student wordt kaalgeschoren en krijgt een nummer: 8742. De ouders van Adam ontvangen een brief. Of ze maar even een koffer met extra kleding voor Adam willen afleveren. Hun zoon wordt op transport gesteld. Familieleden reizen naar Amersfoort om de gevraagde spullen te brengen. Ze krijgen Adam niet te zien. Samen met gijzelaars uit Hardinxveld Giessendam, Bedum, Middelstum, Winsum en Beverwijk wordt hij in juli gedeporteerd naar Braunschweig. Het is een lange en zware wandeling van het kamp naar het station. Om hem heen laten uitgeteerde gevangenen hun koffers vallen. Te zwaar. Op het perron is het dringen. Soldaten begeleiden de honderden Nederlandse gevangenen in de wagons. Ze weten wat hen te wachten staat: Arbeitseinsatz. De Duitsers kunnen hun fabrieken niet draaiende houden zonder slaven uit overmeesterde landen.
De trein rijdt twee uur later station Hengelo binnen en stopt. Adam is weer even thuis. Hij ziet de Lambertus, de Telgen, het Prins Bernhardplantsoen. Voor het laatst. De pauze duurt niet lang. Verder gaat het via Bentheim naar Braunschweig.
Spoorwegbeambten koppelen de achterste wagons af. Daarin zitten Nederlanders met de achternamen van A tot en met J. Zij blijven in Braunschweig en worden in fabrieken aan het werk gezet. Adam heeft pech. Zijn achternaam begint met een K, dus rijdt hij met al die andere ongelukkigen door naar Zöschen. Daar wacht de hel in de vorm van een Arbeits-Erziehungslager. Daar wordt hij geconfronteerd met onder andere de kuren van leden van de Hitlerjugend die de gevangenen bewaken. Kamp Zöschen is in de zomer van 1944 gebouwd. Het staat te boek als Aussenlager, een buitenkamp, van het concentratiekamp Buchenwald.
In augustus rijden dagelijks Nederlandse gevangenen van Schkopau naar Zöschen voor de opbouw van het kamp. Een maand later is het gereis afgelopen en blijven de werklui er definitief. De situatie in het kamp is erbarmelijk slecht.
De gevangenen verblijven in 20 tot 25 tentjes van hardboard. Op de grond ligt stro en een paardendeken. De Nederlanders scheppen grond weg voor de fundering van de barakken en de palen voor de dubbele omheining. Ze bevestigen de rollen prikkeldraad en bouwen vier wachttorens en vier grijze barakken voor de gevangenen. De bouw duurt tot november.
Anderen krijgen werk in de Lunawerke in het nabijgelegen Luna. Daar worden kunstrubber en kunstbenzine gemaakt. Ze worden aangevoerd in veewagons. De gevangenen werken twaalf uur per dag en ontvangen stokslagen als de bewakers iets niet bevalt. ’s Avonds bij terugkomst tillen ze zakken cement van 50 kilo op hun schouder en nemen die mee naar het kamp. Velen redden dat niet en laten de zak vallen. Na een paar dagen is de weg wit van het cementpoeder. De jongens gebruiken lege cementzakken om zich wat warmer te kleden. Kampbewakers die dat merken, beschuldigen hen van het stelen van rijkseigendom. De straf bestaat uit 25 stokslagen of meer.
De Amerikanen bevrijden de gevangenen op 15 april 1945. Voor 500 gevangen onder wie 130 Nederlanders komt de bevrijding te laat. De gemeente Hengelo krijgt drie maanden eerder, op 1 januari 1945, bericht dat ingezetene Adam Kolthof op 1 januari 1945 stierf. Zijn rustplaats: grafnummer 222.
De familie plaatst pas op 24 maart 1945 een overlijdensbericht in Trouw. ‘Hiermede geven wij kennis van het overlijden van onzen lieven Zoon en Broeder Adam Kolthof te Zöschen (Deutschl.) den 1 Jan. 1945, in den jeugdigen leeftijd van bijna 21 jaar.
Het internationale Rode Kruis haalt het lichaam op13 april 1948 uit het graf. De overblijfselen van Adam worden naar Hengelo gebracht en op 18 mei 1949 in het graf van zijn opa bijgezet op de Algemeene Begraafplaats aan de Bornsestraat.