Historie

Kijk eens anders naar het kerkhof

Historie Oude Algemene Begraafplaats Hengelo

Links achterin de hoek ligt de Belg Josef Stroobants. Hij vluchtte in 1914 met vrouw en zoontje uit Leuven om de Eerste Wereldoorlog te ontlopen. Twee jaar later stierf hij. Honderden Hengeloërs en Belgen begeleidden hem op z’n laatste tocht naar de begraafplaats aan de Bornsestraat.

Even verderop is Adriaan de Monchy begraven die samen met Jurriaan Engelbert Stork en diens broer het industriële Hengelo vorm gaf. Op de steen van zijn collega-fabrikant Hendrik Jan Ekker staat: ‘H.J. Ekker van zijn dankbare werklieden’. Kom er nog eens om: arbeiders die hun baas tot in de dood dankbaar zijn voor ’t werk dat ze mochten doen. Nou gaat het in dit geval wel om dé Hendrik Jan Ekker.

Ex-directeur van de machinefabriek Stork en directeur van de Koninklijke Weefgoederen Fabriek die daar in de tweede helft van de negentiende eeuw de scepter zwaaide en samen met zijn kompanen het dorpsleven beheerste.

Een van de laatste dorpsgenoten die op het oeroude kerkhof werd bijgezet, was de 21-jarige Adam Kolthof. Hij overleed op 1 januari 1945 in het opvoedingskamp Zöschen in Duitsland waar hij te werk was gesteld. Het oorlogsslachtoffer kreeg in 1949 een plekje naast zijn opa.

De namen en verhalen rijgen zich aaneen. Directeur Engelbert Stork, architect Jacob van de Goot, ketelbouwer Van Wezel, de dominees Hagen, Bruna en Ballot, bovenmeester Van Benthem, Adolf Mulert, de laatste heer van Hengelo en niet te vergeten Bertha Jordaan die zichzelf trakteerde op een luxe begrafenis. Langs de door buxus omzoomde paden in het parkje achter het poortgebouw vind je de graven van ongeveer vijfhonderd bij naam bekende Hengeloërs. Dat aantal is slechts een fractie van de vele duizenden die er in de loop van de eeuwen hun laatste rustplaats vonden.

In dit boek stellen 25 Hengelöers zich voor. Zij vertellen hun eigen verhaal. Directeuren, dominees, een onderwijzer, arts, ketelbouwer, burgemeesters, een veldwachter, de stichters van het Van Wezel Transportbedrijf en een kastelein om er maar een paar te noemen. Er ligt een bont gezelschap dat invloed had op de ontwikkeling van Hengelo, dat begin 1800 nog een nietszeggende vlek op de kaart was en aan het eind van die eeuw uitgroeide tot de metaalstad van Twente.

De Storken, De Monchy en Ekker namen de Hengeloërs bij de hand en leidden de dorpelingen rond 1870 de moderne tijd in. Ze introduceerden de stoommachine, zorgden voor werk in hun fabrieken en beinvloedden het sociale leven van de arbeiders. Arts Pieter van Delden bestreed de typhus, maar zag met lede ogen dat zijn collega dokter Marius eraan ten onder ging. Zo verwijst bijna elke grafzerk op de begraafplaats naar de bijzondere historie van Hengelo en de rol die de overledenen speelden.

Kijk eens anders naar dit kerkhof. Niet als een dodenakker of een dood rijksmonument, maar als een spannende plek waar de herinneringen van de stad voortleven. De doden maakten de stad, zij zijn een soort levend archief boordevol mooie verhalen.

Een bijzondere plek, ons eigen Père-Lachaise. Hoewel de Algemeene Begraafplaats aan de Bornsestraat niet de uitstraling heeft van de enorme Parijse begraafplaats, is de betekenis net zo groot. Het rustieke parkje is weggestopt tussen de overblijfselen van het voormalige Twentsch Centraal Station voor Stroomlevering (later Heemaffabriek) en woningen aan de Bornsestraat, maar was tot in de 19e eeuw onlosmakelijk verbonden met Huis Hengelo waar de heren van Hengelo zetelden. Daar woonden de Rutenbergens, Twickelo’s, Ripperda’s en de Mulerts. Ze gingen er ter kerke en werden bij de kerk die op het kerkhof stond begraven. En omdat de heren van de kerkbestuurders toestemming kregen hun doden in Hengelo ter aarde te bestellen, werden er ook andere Hengeloërs neergelegd.

Dorpelingen met een eigen huis kregen een plek aangewezen waar ze overleden familieleden mochten begraven. Dat gebeurde dan door de buren die het lijk op de burrie naar de begraafplaats brachten. Verhuisde je dan ging het recht over naar de nieuwe woningeigenaar. Eerst werden de overledenen in de kerk bijgezet, maar vanwege de beperkte ruimte kregen die een plekje buiten het godshuis. Duizenden werden er in de loop van de eeuwen begraven. De laatste Hengeloër die eind 1949 een rustplaats aan de Bornsestraat opeiste, heette Kosters. In 1950 volgde de sluiting.

Er ligt geen exacte datum onder de ontstaansgeschiedenis van de dodenakker. Er is wel aangetoond dat het kerkhof één van de oudst nog bestaande en wellicht de oudste van Nederland is. Helaas ontbreken de bewijzen, zodat we niet helemaal zeker kunnen zijn van het uitgangspunt dat de eerste kapel gewijd aan Sint Lambertus in de dertiende eeuw hier werd gebouwd en dat er al begrafenissen plaatshadden. Vast staat wel dat het kerkhof minstens 500 jaar oud is en alleen al op die grond een unieke plaats in de historie inneemt.

Het perceel achter de monumentale poort is niet zo groot. Het kan dan ook niet anders dat het kerkhof talloze keren is geruimd. Daarbij werden de doden gestapeld begraven en gingen de autoriteiten buitengewoon slordig om met de dodenakker. Zo rond 1840 toen de eerste kerk van Hengelo werd gesloopt, werd de begraafplaats compleet op de kop gezet. Er werd geruimd en heringericht. Tientallen jaren later hapten de bouwers van het Twentsch Centraal Station voor Stroomlevering een flink stuk uit de begraafplaats. De overblijfselen van de overledenen die ze tegenkwamen, gooiden ze in een massagraf aan de uiterste linkerkant van het huidige perceel.

De Hengeloërs gingen ook niet echt eerbiedig om met de grafstenen. In de gevel van het Lambooyhuis aan de Pastoriestraat zijn nog stukken van grafstenen in de bijbouw ingemetseld. Het is dan ook niet zo’n wonder dat er nog maar een enkel oud graf bewaard is gebleven. Ene Ter Balckt uit 1662 ligt er en de oudste steen is van Segger uit 1625. Dat is het wel zo’n beetje. Pas in 1887 vond de rijksoverheid dat gemeenten registers van graven moest bijhouden. Daarom weten we grofweg de namen van de Hengeloërs die eind 19e en begin van de 20e eeuw ter aarde werden besteld.

Het was Johanna Frederika ter Horst die er voor zorgde dat Hengelo’s meest historische plekje er nog is. Ze ergerde zich al jaren aan de verslonzing en verrommeling van de begraafplaats die niet of in elk geval heel slecht werd onderhouden. Johanna riep de notabelen van Hengelo bij elkaar en richtte in 1912 samen met hen de Vereniging Gemeenschappelijk Onderhoud op. De Vereniging ging onder haar leiding aan de slag om het kerkhof weer toonbaar te maken. Dat lukte. Anderen namen het werk na haar overlijden over waardoor de Algemeene Begraafplaats werd behoed voor sluiting en ruiming.

De meest bijzondere plek werd jaren later rijksmonument. Nog enigszins verstopt, dat wel. Vandaar dit boek en een website. Vandaar de viering van het 100-jarig bestaan van de Vereniging Gemeenschappelijk Onderhoud. De poort gaat open. Wees welkom, kom tot rust, blader door het boek en verwonder je over het bonte palet van verhalen dat hier tot leven komt.

Henk ten Harkel